Levenslessen

Levenslessen
Geplaatst op: 10 november, 2018

Levenslessen

Collega WoestHaar en ik doen ons best. Niet gehinderd door enige kennis of ervaring in het leidinggevende vak maken we roosters, plannen we patiënten in, lossen we ad hoc problemen op en zijn we er (vooral) voor het wel en wee op de afdeling. Door de kleinschaligheid van het ziekenhuis kennen we binnen de kortste keren ook de meeste andere medewerkers van het ziekenhuis. Waar in grote organisaties het operatiekamercomplex een eiland is, is onze OK gezellig geïntegreerd binnen de organisatie.

Niet lang na onze aanstelling, krijgen we een uitnodiging van de directeur om kennis te maken. In ons OK-pak met daarover een witte jas, begeven we ons naar de bovenste verdieping van het gebouw. Als we de lift uit stappen zakken onze klompen diep weg in het hoogpolige tapijt. Het is verassend licht in deze gang. Aan de muur tussen de deuren in, hangen schilderijen in heldere kleuren. Het geeft het gevoel welkom te zijn. Ik heb geen idee waar we de directeur kunnen vinden en tuur op naar bordjes. WoestHaar is de lange gang al in gelopen. Halverwege blijft hij bij een open deur staan. ‘Hallo! Waar kunnen we Cees vinden?’ Zijn hare stem vult de ruimte. Ik voel hoe mijn mond een beetje open valt. Het bloed stijgt naar mijn wangen. Cees! Hij heeft lef! Een stuk verderop gaat nog een deur open. Een man in pak stapt naar buiten en wenkt ons lachend. Als we bij hem zijn, schudden we hem de hand en slaat WoestHaar hem joviaal op de schouder. De directeur deinst iets achteruit en zegt dan: ‘Ik had al van je gehoord, WoestHaar.’ Mijn collega lacht luid en loopt ongevraagd de kamer in. Ik haal verontschuldigend mijn schouders op. De directeur heeft een grijns op zijn gezicht en knipoogt naar me.

Het uitzicht vanaf deze hoogte is adembenemend. De kruinen van de bomen rondom het ziekenhuis kondigen de winter aan. Een waterig zonnetje schittert in het magische palet van geel, oranje en rode kleuren. ‘Je hebt de mooiste kamer voor je zelf gehouden, zie ik.’ Na deze hardop uitgesproken conclusie draait WoestHaar zich om en kijkt rond. ‘Is die echt?’ Hij wijst op een tekening aan de muur waarin ik de kenmerkende, meetkundige patronen van het werk van Escher herken. ‘Ja, dat is jaren geleden geschonken na een ziekenhuisopname bij ons.’ WoestHaar is stil. Zou hij eindelijk ergens van onder indruk zijn? Een klop op de deur. Een magere vrouw komt binnen met een dienblad. Ze zet de kopjes op het lage tafeltje. De directeur gebaart dat we kunnen gaan zitten. WoestHaar pakt een koekje van de schaal. ‘Vertel, hoe zijn jullie ertoe gekomen, je in de soms eenzame functie van leidinggevende te storten?’ WoestHaar is me voor. ‘Ik zie anderen graag werken.’ De directeur buldert. Ook bij mij borrelt een lach op. Hoe krijgt hij het voor elkaar? Ik ken hem nu een paar weken en op de een of andere manier heeft hij de lachers, waar we ook komen, binnen een paar minuten op de hand. Stiekem bestudeer ik mijn collega. Zijn krullende, wat lange haar staat alle kanten op. Het lijkt of hij er wild met zijn handen doorheen is gegaan. Zijn neus is breed. Daaronder een slordige snor. Verbergt die een schisis? Het valt me nu pas op. Ik zal het hem binnenkort eens vragen. En dan…, ineens zie ik het. Het zit in zijn ogen. Ze zijn blauw, op zich niet bijzonder, maar de manier waarop hij de wereld inkijkt is ontwapenend. Kinderlijke onschuld, ja, dat stralen ze uit. ‘Riek, ben je er nog?’ Hij geeft me een harde por in mijn zij. ‘Cees heeft tips voor ons.’ De directeur leunt met zijn ellebogen op zijn knieën en zijn handen voor zijn borst tegen elkaar, naar voren. ‘Het lijkt simpel mensen, maar ik ken er genoeg die mijn twee handvatten niet hanteren. De eerste is: zorg dat je jezelf in de spiegel kunt aankijken. Anders gezegd: hanteer geen dubbele agenda, blijf eerlijk. De tweede: als je verhaal maar goed is. Doe dingen dus weloverwogen. Fouten maken mag.’ We zijn er even stil van. Zelfs WoestHaar weet niet wat hij hierop moet zeggen.

De koffie is op, de schaal koekjes leeg. De directeur staat op en geeft ons een hand. ‘O ja,’ zegt hij, ‘Nog iets. Voor je ergens instapt… bedenk je of het de zonde waard is.’

Als we in de lift staan, staart WoestHaar voor zich uit. ‘Weet jij wat een van de uitspraken van Escher is?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Ik word niet volwassen. In mij is het kleine kind van vroeger.’ Ik laat de uitspraak even op mij inwerken en zeg dan: ‘Past die uitspraak bij teamleiders? De eerste weken zijn mij best tegengevallen. Er wordt wel heel veel van ons gevraagd.’ ‘Niet zo serieus, Riek. Je moet een beetje om jezelf kunnen lachen.’ Het zal niet moeilijk zijn om samen met WoestHaar ‘kind’ te zijn. De ontwapende blik in zijn ogen is terug

LAATSTE BERICHTEN